Logo leiderdorpsweekblad.nl
In de bladeren van deGrote Kaardenbol ligt vaak een plasje water. | Foto: Simon Eugster/Wikipedia Commons).
In de bladeren van deGrote Kaardenbol ligt vaak een plasje water. | Foto: Simon Eugster/Wikipedia Commons).

Raadsels rond grote kaardenbol

We leven in een tijd waarin insecten het zwaar te verduren hebben. De discussie over de teloorgang van de natuur en wat hier tegen te doen wordt al maar heftiger. Des te meer reden om in je eigen tuin planten te zetten die insecten van nectar en stuifmeel kunnen voorzien. Nu zijn er goede bijenplanten die in het wild op veel plaatsen te zien zijn maar ook in de tuin niet misstaan. Een daarvan is grote kaardenbol. Een beeldbepalende bijenplant die eenmaal in bloei ieders aandacht weet te trekken.

Een stekelige reus
Grote kaardenbol kan makkelijk twee meter hoog worden. Met stekels op stengels, bladeren en bloeiwijze is het een opvallende verschijning in iedere tuin. Het is een tweejarige plant die het eerste jaar een rozet vormt en dan zeker niet de aandacht trekt. Pas in het tweede jaar schiet hij de hoogte in en komt de kenmerkende bloeiwijze tot ontwikkeling. Halverwege de forse bloemhoofdjes gaan de licht blauw-paarse bloemen in een smalle ring bloeien die zich geleidelijk aan naar beide kanten uitbreidt. Hiermee is het een belangrijke nectarplant voor bijen, vlinders en zweefvliegen. Eenmaal uitgebloeid hoeft hij zeker niet ‘opgeruimd’ te worden. De plant kan de hele winter de tuin blijven sieren met zijn karakteristieke vorm. Met een beetje geluk strijken er ook nog putters (distelvinken) neer, die foerageren op de uitgebloeide planten. Putters hebben een snavel waarmee ze de nootjes probleemloos uit de stekelige bollen kunnen halen.

Carnivoor of niet?
De stengelbladeren van de grote kaardenbol zijn bijzonder gevormd. Aan de voet zijn ze paarsgewijs vergroeid tot een komvormig bekken waar regenwater in blijft staan. In dit water zul je vaak verdronken insecten aantreffen. En dit is precies waar men al minstens vanaf 1789 een verklaring voor probeert te vinden. Het zijn niet de minsten die zich over de functie van de komvormige bladeren hebben gebogen.

Darwin
Charles Darwin publiceerde na vele jaren van onderzoek in 1875 zijn spraakmakende boek over vleesetende planten. Zijn zoon Francis, geïnspireerd door het werk van zijn vader, onderzocht vervolgens de komvormige bladeren van grote kaardenbol om er achter te komen of de plant de verdronken insecten kon verteren en opnemen. De grootvader van Charles Darwin, Erasmus Darwin, had in 1789 al in zijn eigen boek over grote kaardenbol geschreven. Hij vermoedde dat de plant zich kon voeden met de verdronken insecten. Maar ook dat de plant zich te weer kon stellen tegen insecten die zich tegoed wilden doen aan de zaadjes. Op hun tocht naar de zaadjes liepen ze het risico van de gladde stengel af te glijden en in het water te verdrinken. Onderzoekers in de 20e en begin 21e eeuw kwamen tot tegenstrijdige conclusies. Is grote kaardenbol nu een semi-carnivoor of niet?

Terug naar Erasmus
In 2011 beweerden onderzoekers dat de plant geen insecten kan verteren maar wel dat de zaadproductie na toevoeging van insecten in de komvormige bekkens groter was dan zonder deze toevoeging. Hoe kan dat? In 2019 kwam een kritisch vervolgonderzoek met een andere verklaring. De toegenomen zaadproductie kon evengoed een reactie van de plant zijn op gebrek aan voedingsstoffen in de grond.  Hiermee zijn we weer terug bij de eerste gedachte van Erasmus Darwin in 1789. De plant beschermt zich tegen insecten die het op zijn zaad hebben voorzien. Nu is het wachten op verder onderzoek. Na 233 jaar is het verlossende antwoord nog steeds niet gegeven.

Edward Sodderland, IVN

Meer berichten